Hoofdstukken

Kans van slagen

Ook al is uw visie op onderwijs nog zo sterk en onderscheidend, het garandeert niet dat u daadwerkelijk van start mag. In de Nederlandse onderwijswetgeving is het op dit moment niet zo dat de kwaliteit van de onderwijsvisie leidend is voor het recht om een school te stichten. De belangrijkste procedurele vraag is namelijk: is er voldoende interesse van (ouders van) leerlingen die niet al door een school van een soortgelijke richting worden bediend? Als u dat kan aantonen, maakt u een goede kans. Er zijn echter nog meer voorwaarden. En tips en tricks voor het succesvol stichten van een school. Hier zetten we ze op een rij. Waar er in wet- en regelgeving verschillen zijn tussen po en vo wordt dat aangegeven.

Minister Slob stelt voor om de wetgeving voor het stichten van scholen aan te passen. Lees meer over het Wetsvoorstel Meer ruimte voor nieuwe scholen. Het voorstel is nog niet door de Tweede Kamer en Eerste Kamer aangenomen.

Uw team

Een nieuwe school stichten kost tijd. Het duurt al gauw twee jaar voor u de deuren van uw schoolgebouw kan openen. En hoewel het per initiatief verschilt, blijkt uit ervaringen dat een school stichten gemiddeld soms wel 10 uur per week kost in die periode. Voor een groot deel van die tijd is er geen bekostiging, tenzij u al bij een bestaand schoolbestuur werkt. Daarom is het verstandig om een goed team samen te stellen.

Het helpt wanneer het team het eens is over de visie op onderwijs. Anders bestaat het risico dat het proces gaandeweg stagneert. Iemand met verstand van onderwijs is daarom onontbeerlijk. Daarnaast is een aantal kwaliteiten handig tijdens het stichtingsproces, zoals juridische deskundigheid of de vaardigheden om juridische procedures te doorgronden. Maar ook affiniteit met promotie kan van pas komen om interesse in uw schoolconcept te wekken. Daarmee toont u namelijk aan dat uw school levensvatbaar is.

Zodra u toestemming hebt om daadwerkelijk uw school te stichten en u de opening van de school gaat voorbereiden, helpt het ook om iemand te hebben met verstand van financiën, ICT en affiniteit met huisvesting.

Procedurele eisen

Zodra u een team heeft, kunt u starten met het proces. Sommige zaken kunt u op ieder moment tijdens het proces doen. Zoals uw onderwijsvisie verder ontwikkelen of concretiseren, met een website en flyers interesse generen, of lobbyen bij de gemeenteraad. Maar er zijn ook procedurele eisen, die u in een bepaalde volgorde moet volbrengen. Dat zijn de volgende:

1) Een rechtspersoon oprichten
De eerste procedurele eis die aan een school in oprichting wordt gesteld, bestaat uit het creëren van een rechtspersoon. Dat kan een stichting of een vereniging zijn. Zo’n rechtspersoon moet aan een aantal eisen voldoen:

A. De rechtspersoon mag geen winstoogmerk hebben;
B. De rechtspersoon moet voor een door de minister erkende richting kiezen (zie hieronder);
C. De rechtspersoon moet voldoen aan de wettelijke eisen met betrekking tot de scheiding van bestuur en intern toezicht.

Als u bijvoorbeeld een algemeen bijzondere wilt school stichten, is een volgend (of soortgelijk qua inhoud) artikel in de statuten nodig: “De stichting stelt zich ten doel het vormgeven en het bevorderen van het geven van onderwijs op algemeen-bijzondere grondslag. De stichting gaat bij het geven of doen geven van onderwijs uit van de gelijkwaardigheid van alle levensbeschouwingen en maatschappelijke stromingen voor het onderwijs, waarbij de normen- en waardenoverdracht erop is gericht dat de leerling een levensbeschouwing kan opbouwen en van daaruit een eigen inbreng kan hebben, een en ander met respect voor de levens- en maatschappijbeschouwing van anderen.”

Veel initiatiefnemers kiezen voor een stichting, omdat je daarmee sneller kunt schakelen dan in een vereniging. In een vereniging ligt de macht bij de leden, die via de algemene ledenvergadering besluiten kunnen nemen. Statuten en zelfs de vorm van de rechtspersoon kunnen later nog worden aangepast. Dit loopt via de notaris.

Het is van belang dat uw school tot een door de Onderwijsraad en de minister erkende richting behoort. Richtingen zijn primair levensbeschouwelijk van aard. Een pedagogisch didactische filosofie wordt niet als richting beschouwd. Een nieuwe richting erkend krijgen kan ook, maar heeft doorgaans weinig kans van slagen omdat er veel eisen aan worden gesteld. De volgende richtingen zijn op dit moment erkend:

• Openbaar
• Algemeen Bijzonder
• Rooms-katholiek
• Protestants-christelijk
• Gereformeerd Vrijgemaakt
• Reformatorisch
• Evangelisch
• Evangelische Broedergemeente
• Vrije school
• Hindoe
• Islamitisch
• Joods
• Humanistisch

PO2) Aantonen van interesse

Er moet worden aangetoond dat de school potentie heeft. Dat betekent dat u via een prognose moet aantonen dat er voldoende interesse is om aan de stichtingsnorm te voldoen. Deze eis is het belangrijkste voor gemeenten, die op basis van uw aanvraag beoordelen of u in het plan voor nieuwe basisscholen komt. Dat is een vereiste voor bekostiging.

Op welke manieren kunt u de interesse in uw school aantonen?
Daar zijn twee verschillende manieren voor:
A. Een directe meting van de interesse, die door een onafhankelijk, wetenschappelijk bureau uitgevoerd moet worden. De kosten daarvoor zijn circa €15.000. Deze kosten mogen niet door het schoolbestuur (in oprichting) worden uitgegeven, omdat het een andere bestemming is dan het primair proces. Een nevenstichting kan het wel doen, bijvoorbeeld uit donaties van ouders met interesse.
B. Een indirecte meting van de interesse. Met een indirecte meting zoekt u een vergelijkbare gemeente, qua aantal inwoners, leerlingdichtheid, samenstelling van de bevolking en regionale ligging. U neemt dan het percentage leerlingen dat in de richting van uw school in oprichting onderwijs volgt in die gemeente. Dat gebruikt u om de interesse in uw eigen gemeente te onderbouwen. Indien er al een school van dezelfde richting aanwezig is in de gemeente waar u uw school wilt stichten, kunt u daar het belangstellingspercentage van gebruiken. Ook voor een indirecte meting kunt u het beste een expert inschakelen. De kosten voor een indirecte meting zijn aanzienlijk lager: een quickscan kost doorgaans een paar honderd euro.

Beide methodes zijn technisch complex. De minister erkent een aantal prognosemodellen voor de meting, zoals VSWO, PVGpro en G4pro. Zelf peilen hoeveel ouders interesse hebben wordt niet geaccepteerd. Uit jurisprudentie van de Raad van State blijkt dat voor de directe meting een aanvullende rol is weggelegd, voor het geval er voor een indirecte meting onvoldoende gegevens voorhanden zijn.

Welke methode is handig om te gebruiken?
Hoewel de kosten van de methodes variëren, zijn er geen aanwijzingen dat de kans van slagen sterk afhangt van de gehanteerde methode. De toegevoegde waarde van een directe meting is dus laag. Hoe dan ook loont het zich om een expert in te schakelen, die het proces al vaker begeleid heeft.

Wat moet in de prognose staan?
Het aantonen van interesse doet u dus door een prognose te maken. Die prognose moet onder andere gegevens bevatten over:
1. De plaats in de gemeente waar het onderwijs gaat worden gegeven;
2. Het voedingsgebied;
3. De bevolking in het voedingsgebied van 0 t/m 14 jaar, verdeeld in leeftijdsgroepen van één jaar. Dat wil zeggen, het aantal 0-jarigen, 1-jarigen, 2-jarigen, et cetera op enig moment;
4. Het aantal verwachte levendgeborenen;
5. De te verwachten instroom in en uitstroom uit die bevolking;
6. Het belangstellingspercentage voor een basisschool in de richting van uw op te richten school in:
a. Een vergelijkbare gemeente indien er niet al een school van dezelfde richting in de gemeente is gevestigd;
b. Uw eigen gemeente indien er al een basisschool in dezelfde richting aanwezig is.

Een prognose moet daarnaast gebaseerd zijn op recente statistische gegevens over een tijdvak van vijf jaar, de berekeningen die tot de uitkomsten hebben geleid vermelden, en inzicht geven in het te verwachten aantal leerlingen. Een stichtingsprognose moet een tijdvak van twintig jaar beslaan.

Wie bepaalt het voedingsgebied?

De aanvrager bepaalt het voedingsgebied van de school. Een gemeente mag wel bekijken of het voedingsgebied reëel is. U kan de hele gemeente als voedingsgebied aanmerken. Meerdere gemeenten als voedingsgebied aanmerken is vaak lastiger, maar kan wel. Bijvoorbeeld door het te onderbouwen met bestaand verkeer van leerlingen, of in geval de betreffende gemeenten bij wijze van spreken ‘aan elkaar’ zijn gebouwd. In dat geval is er geen natuurlijke scheiding tussen beide gemeenten.

Wat als er al een school van dezelfde richting in uw gemeente bestaat?
Als er andere scholen zijn van dezelfde richting in uw gemeente, worden sommige leerlingen niet meegerekend. Dat zijn leerlingen die (1) binnen een redelijke afstand van die scholen wonen en ze bezoeken, en (2) belangstelling hebben én voor wie er ook plaats is op een school van die richting op het moment van indienen van de aanvraag. Dat betekent dat als u een algemeen bijzondere school op wilt richten maar er vlak in de buurt al zo’n school is, er minder leerlingen overblijven die volgens de rekenregels belangstelling in uw school zouden kunnen hebben. Het kan natuurlijk wel zo zijn dat het belangstellingspercentage dermate hoog is, dat er voor veel geïnteresseerde leerlingen geen plek is op die school. In de praktijk betekent dit dat de kans op succes zeer klein is. Alleen als er toevallig zeer veel woningen gebouwd worden kan er een mogelijkheid zijn

Hoe zit het met de genoemde ‘redelijke afstand’?
Het begrip ‘binnen een redelijke afstand’ is ook voor interpretatie vatbaar. Gemeenten hanteren daar verschillende afstanden voor. U kan als initiatiefnemer ook de gehanteerde afstand betwisten. Het begrip gaat niet alleen over de afstand hemelsbreed, maar ook over de impact van infrastructurele belemmeringen.

PO3) De aanvraag compleet maken

Naast de prognose van het aantal te verwachten leerlingen, moet u nog een aantal zaken in de aanvraag beschrijven, namelijk:
• de beschrijving van het voedingsgebied;
• de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven;
• de voorgestelde datum van ingang van de bekostiging.

Vergeet ook niet de aanvraag uit naam van uw rechtspersoon te doen, de naam van uw schoolbestuur te noemen, uw statuten mee te sturen, en te noemen dat u op grond van artikel 65 van de Wet op het Primair Onderwijs (WPO) een aanvraag voor opname in het plan voor scholen doet. Het kan helpen om een voorkeurswijk aan te geven in uw aanvraag. Hoewel een gemeente vrij is om u een locatie toe te wijzen binnen het hele voedingsgebied, houden sommige gemeenten rekening met uw voorkeurswijk.

Verstuur uw aanvraag per aangetekende post of breng het zelf langs. Vraag in dat laatste geval om een ontvangstbevestiging, voor de zekerheid.

Wat is vroegst mogelijk datum om van start te gaan?
Heeft het bevoegd gezag (uw rechtspersoon) de aanvraag vóór 1 februari van een jaar ingediend, dan is de vroegst mogelijke aanvangsdatum 1 augustus van het volgende jaar.

Wat als de tijd dringt?
Is het u nog niet gelukt om de prognose van het verwachte aantal leerlingen af te ronden? Dan heeft u nog een tweede kans: als u voor 1 april de prognose indient, kan de aanvraag alsnog in behandeling worden genomen. Dat kan alleen als u al een aanvraag hebt ingediend vóór 1 februari namens het bevoegd gezag (uw rechtspersoon).

Kan u ook later van start gaan?

Ja, dat kan. Omdat een plan voor nieuwe basisscholen drie jaren bestrijkt, kunt u er ook voor kiezen om niet in het volgende jaar, maar een van de twee daaropvolgende jaren van start te gaan. Dat geeft u meer tijd, en geeft de gemeente meer tijd om voor geschikte huisvesting te zorgen.

Meer weten?

Lees ook zelf de wet. Voor het basisonderwijs is de Wet op het Primair Onderwijs (WPO) relevant, in het bijzonder artikel 73 tot en met 89 voor de stichting, en artikel 91 tot en met 112 voor de huisvesting.

PO4) De gemeente geeft antwoord

Het is gelukt!
Is het gelukt om uw aanvraag in te leveren? Dat krijgt u voor 1 augustus te horen of uw aanvraag is gehonoreerd. Het zogenaamde Plan van Scholen wordt door de gemeenteraad vastgesteld. Als dat zo is, gaat uw aanvraag door naar de minister, die ook akkoord moet gaan. Meestal gaat de minister akkoord nadat de gemeenteraad akkoord is gegaan.

Uw aanvraag is afgewezen…
Mocht uw aanvraag zijn afgewezen, dan krijg u te horen wat de reden van afwijzing is. Bent u het niet eens met de afwijzing? Dan kunt u in beroep gaan op basis van artikel 80 van de WPO. Dat beroep dient u in eerste instantie in bij de minister. Mocht de minister het beroep afwijzen, dan kunt u naar de Raad van State. Vaak duurt een beroepsprocedure een jaar, soms langer. In de tussentijd is het strategisch om alvast een nieuwe aanvraag in te dienen, zodat u bij een gewonnen beroepsprocedure snelheid wint.

Weet dat wethouders ook deskundigen kunnen inhuren om een ‘nee’ te onderbouwen. Dan kan het handig zijn om met een ervaren deskundige te sparren. Wees niet te snel onder de indruk van zo’n afwijzing. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat een wethouder lokale overwegingen rond belangstellingspercentages gebruikt ter onderbouwing. Wettelijk gezien doet zo’n argument er niet toe. En dat betekent dat u een goede kans maakt om in een bezwaar- of beroepsprocedure alsnog groen licht te krijgen.

PO5) Besluit minister

De minister ontvangt alle aanvragen en besluiten van de gemeenteraden uiterlijk halverwege augustus. Uiterlijk op 1 januari maakt de minister het genomen besluit bekend. Gaat de minister akkoord? Gefeliciteerd! Dan gaat de gemeente voor de start van het volgende schooljaar huisvesting regelen.

Doorgaans neemt de minister het besluit van de gemeenteraad over. Wijst de minister uw aanvraag toch af. dan kunt u in beroep tegen het besluit bij de Raad van State.

VO2) De aanvraag voor bekostiging doen

De tweede procedurele eis is dat u moet aantonen dat uw school potentie heeft. Dat hoeft niet op onderwijsinhoudelijke gronden – het aantonen van interesse is in deze fase genoeg. Deze eis is het belangrijkste voor de minister, die op basis van uw aanvraag beoordeelt of u voor bekostiging in aanmerking komt.

Op welke manieren kunt u de interesse in uw school aantonen?
De interesse in uw school moet u op een indirecte manier aantonen met een planprognose, die uw richting als uitgangspunt neemt. Voor het voortgezet onderwijs wordt de interesse afgeleid van belangstellingscijfers (op basis van deelname in groep 3 van het basisonderwijs) voor uw richting in het primair onderwijs van uw gemeente.

U mag alleen belangstellingscijfers gebruiken van leerlingen uit uw voedingsgebied. Dat is het gebied dat binnen een straal van tien kilometer van uw vestiging ligt. Let op: leerlingen die binnen tien kilometer van uw vestiging naar een school kunnen gaan van dezelfde richting, worden van uw prognose afgetrokken.

De berekeningswijze om aan te tonen dat er voldoende potentieel is voor de start van een school voor voortgezet onderwijs is volledig voorgeschreven door de Minister. De school dient op t+6 en t+10 te voldoen aan de geldende stichtingsnorm. Dat betekent dat de prognose moet aantonen dat er naar verwachting over 6 en 10 jaar na aanvang voldoende leerlingen zijn om de stichtingsnorm te halen.

Wat moet in de prognose staan?
Het aantonen van interesse doe u dus door een planprognose te maken. Die prognose moet gegevens bevatten over:
1. De plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven. Aan te raden is om de locatie zo nauwkeurig mogelijk aan te geven.
2. Het voedingsgebied. De minister hanteert hemelsbreed een straal van 10 km bij de bepaling van het voedingsgebied vanuit de voorgestelde locatie.
3. Het belangstellingspercentage vanaf groep 3 van de basisschool in de richting van uw op te richten school in de betreffende gemeente.

Hoeveel belangstelling moet er zijn in mijn school?
Dat verschilt per onderwijssoort. Uw prognose moet aantonen dat er redelijkerwijs interesse kan worden verwacht van:

• 390 leerlingen als u een school met alleen een vwo-afdeling wilt stichten;
• 325 leerlingen als u een school met alleen een havo-afdeling wilt stichten en 130 leerlingen voor een afdeling voor havo als onderdeel van een bredere schoolgemeenschap;
• 260 leerlingen als u een school met alleen een mavo-afdeling wilt stichten;
• 260 leerlingen als u een school voor vbo met één profiel wilt stichten;
• 160 leerlingen voor elk profiel van een school voor vbo indien meer dan één profiel binnen de school voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht;
• 120 leerlingen voor een school voor praktijkonderwijs.

Wanneer u een school sticht die bovenstaande afdelingen combineert, dan mag u de optelsom van 75% van de bovenstaande aantallen hanteren.

VO3) De aanvraag compleet maken

Vergeet niet de aanvraag uit naam van uw rechtspersoon te doen, de naam van uw schoolbestuur te noemen, de statuten mee te sturen, en te noemen dat u op grond van artikel 65 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) een aanvraag voor bekostiging doet.

Wat is vroegst mogelijk datum om van start te gaan?
De aanvraag moet vóór 1 november binnen zijn. Dan is de vroegst mogelijke aanvangsdatum 1 augustus t+2. Met andere woorden, als u uw aanvraag voor 1 november 2019 indient, kunt u op z’n vroegst op 1 augustus 2021 van start. Of dat ook gebeurt, hangt af van de beschikbaarheid van geschikte huisvesting en de bereidwilligheid van gemeenten om die te creëren indien nodig. Gemeenten dienen – na toestemming van de minister – binnen vijf jaar zorg te dragen voor huisvesting.

Praktische overwegingen

Een prognose opstellen is complex. De minister levert alle gegevens aan, maar het loont zich om een expert in te schakelen, die het proces al vaker begeleid heeft. Het kan geen kwaad met ambtenaren van het ministerie te praten. Zij kunnen u informeren en adviseren. Trek wel altijd uw eigen plan als u de indruk krijgt dat de huidige wet- en regelgeving ruimte biedt voor een nieuwe school.

Weet dat het bijzonder lastig is om als onafhankelijk initiatiefnemer een school voor voortgezet onderwijs te stichten, vanwege de voorwaarden waaraan u moet voldoen. Uw voedingsgebied krimpt snel als er al een school van dezelfde richting aanwezig is. En het belangstellingspercentage uit het primair onderwijs is niet per se een goede graadmeter voor de belangstelling in uw school. Veel ouders kiezen immers een school niet meer op basis van richting zoals vroeger. Daarom behandelen we in het blok hieronder een aantal alternatieven.

Meer weten?

1. Lees ook zelf de wet. Voor het voortgezet onderwijs is de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) relevant, in het bijzonder vanaf artikel 62.
2. Op de website van DUO vindt u informatie over welke gegevens u moet aanleveren om in aanmerking te komen voor bekostiging.

VO4) De minister geeft antwoord

Het is gelukt!
Gefeliciteerd! U bent een van de weinige initiatiefnemers die onafhankelijk van een bestaand schoolbestuur een school voor voortgezet onderwijs heeft gesticht. Juich niet te vroeg: gemeenten kunnen vanaf het ministersbesluit 5 jaar nemen om voor huisvesting te zorgen.

Daarom kan het nuttig zijn om vroeg in gesprek te gaan met gemeenteraadsleden, de wethouder en ambtenaren van uw gemeente. Als u goed kunt uitleggen wat uw school toevoegt aan en onderscheidt van het bestaande aanbod, maakt u een betere kans op bereidwilligheid. Die bereidwilligheid vergroot de kans op prettige, passende onderwijshuisvesting.

Uw aanvraag is afgewezen…

Mocht uw aanvraag zijn afgewezen, dan krijg u te horen wat de reden van afwijzing is. Bent u het niet eens met de afwijzing, dan kunt u in beroep gaan bij de Raad van State. Vaak duurt een beroepsprocedure een jaar, soms twee. Het is handig om u bij een afwijzing te laten adviseren over de kans van slagen van uw eventuele beroepsprocedure. In de tussentijd is het strategisch om alvast een nieuwe aanvraag in te dienen, zodat u bij een gewonnen beroepsprocedure snelheid wint.

VOAlternatieven om een VO-school te stichten

We kunnen er niet omheen: het is in Nederland erg lastig om onder de huidige wetgeving een school voor voortgezet onderwijs te stichten. Daarom zetten we hier kort een aantal alternatieven op een rij:

Een particuliere school starten
Er kleven belangrijke nadelen aan een particuliere school. Zo bent u voor de bekostiging afhankelijk van ouders, moet u waarschijnlijk met vrijwillige krachten werken, en blijft de omvang van uw school waarschijnlijk beperkt. Maar het biedt u wel de vrijheid om een school te stichten. Ook wanneer u een particuliere school start, moet u de minister op de hoogte brengen via DUO. Lees er hier meer over.

U losmaken uit een bestaand schoolbestuur
Als u als school voor voortgezet onderwijs autonoom wilt worden, kunt u zich losmaken uit een bestaand schoolbestuur. Althans, als het bestuur van de scholengroep akkoord gaat. Het besluit ligt dus niet bij u als individuele school. In de afgelopen jaren zijn voorstellen gedaan om deze wetgeving te veranderen.

Uw onderwijsconcept onder een bestaand schoolbestuur uitvoeren
U kan ook de samenwerking opzoeken met bestaande schoolbesturen. En een nieuwe locatie of nevenvestiging oprichten, of een nieuwe stroom binnen een bestaande school vormgeven. Het is niet altijd eenvoudig om bestaande schoolbesturen van zo’n plan te overtuigen. Als het lukt, is het belangrijk om goede afspraken te maken over de verdeling van taken en mate van autonomie die u geniet als school. In deze variant is het van belang dat u dezelfde onderwijsvisie onderschrijft.

Een school via het regionaal plan onderwijsvoorzieningen stichten
Bestaande schoolbesturen stellen iedere 5 jaar een regionaal plan onderwijsvoorzieningen op voor het voortgezet onderwijs. In dat plan kunnen ze onder meer besluiten om vestigingen te verplaatsen of nieuwe nevenvestigingen te stichten. Dat betekent dat ze ook nieuwe scholen kunnen stichten. Daarvoor hoeven ze niet te voldoen aan de stichtingsnormen. Wanneer een nieuwe of gewijzigde voorziening wordt opgenomen in het regionaal plan, moet de minister nog wel akkoord gaan. En als een voorstel huisvestigingsconsequenties heeft, moet ook de gemeente akkoord gaan.

In de praktijk zijn schoolbesturen niet snel geneigd om een nieuwe partij een school te gunnen via het regionaal plan onderwijsvoorzieningen. Maar u kunt het gesprek altijd aangaan. En soms zijn er bijzondere omstandigheden, zoals wanneer een nieuwe wijk wordt gebouwd. In sommige gevallen is er overigens geen regionaal plan onderwijsvoorzieningen, bijvoorbeeld omdat de bestaande schoolbesturen geen overeenstemming bereiken.

Het spel

Naast de formele procedures, is er ook een spel te spelen. Hoe u het speelt, bepaalt u zelf. U kan de kans van slagen verhogen door aan het volgende te denken:

POVoor opname in het plan van basisscholen

Politieke lobby
Of u als school bekostiging krijgt, is het meest afhankelijk van het besluit om opgenomen te worden in het plan voor basisscholen. Dat besluit neemt de gemeenteraad in overleg met het college van burgermeester en wethouders. Om de kans op een positief antwoord te verhogen, is het verstandig om alvast met gemeenteraadsleden van verschillende politieke partijen, ambtenaren en de wethouder te gaan praten. Zodat u uw plan kunt uitleggen, kunt aangeven dat er behoefte aan is of hoe onderscheidend het is ten opzichte van het huidige onderwijsaanbod. Begin eens met het inventariseren van uw vrienden- en kennissenkring: zitten daar mensen bij die politieke actief zijn? Of zelfs gemeenteraadslid zijn? Benader die alvast bij de start van uw lobby.

Promotie
Zodra u een goed onderwijsconcept hebt ontwikkeld, is het ook verstandig om aan promotie te gaan werken. Dat kan met een website, informatiebijeenkomsten en bijvoorbeeld door potentieel belangstellende ouders en kinderen te informeren. Maar er zijn nog meer manieren te bedenken. Soms kunt u een budget voor promotie krijgen bij de organisatie Ouders & Onderwijs. Het aantal geïnteresseerde ouders die zich op uw nieuwsbrief heeft ingeschreven of op uw voorlichtingsavond waren, kunt u als aanvullend argument gebruiken in uw politieke lobby.

PONa opname in het plan van basisscholen

Politieke lobby
Ook na opname in het plan van basisscholen is het spel nog niet volledig gespeeld. In welk gebouw u start, kan veel verschil maken voor de ontwikkeling en groei van uw school. Gemeenten hebben veel vrijheid in het toewijzen van huisvesting, zowel qua locatie als gebouw. Voor de locatie kan de gemeente in principe het hele voedingsgebied gebruiken. Het gebouw kan nieuw of oud zijn, een noodgebouw, of bij een bestaande school in. Er is grote kans dat u in de eerste vijf jaar nog een keer verhuist. En soms is het een maand voor opening nog niet duidelijk waar u gaat zitten. Door proactief in gesprek te gaan met de betrokken wethouder en ambtenaren, kunt u invloed uitoefenen. Dat kan ook via de gemeenteraad.

Promotie

Promotie onder ouders en leerlingen blijft van belang. Dat ze geïnteresseerd zijn, betekent immers nog niet dat ze zich gaan inschrijven. Sommige ouders hebben koudwatervrees en willen het eerste jaar afwachten. Ouders blijven vinden is van belang voor de groei van de school. Blijf daarom ook na de opname in het plan voor basisscholen ouders en kinderen werven.

Lees ook hoofdstuk 3